top of page

Taalontwikkeling van je kind, stap voor stap

18 okt
4 minuten om te lezen

Tussen de eerste huilgeluidjes en het eerste verhaal over wat er op school gebeurde, gebeurt er ontzettend veel. Een baby die gorgelt van plezier. Een peuter die “bal!” roept alsof hij de beker wint. Een kleuter die een kwartier vertelt over een draak die bij de buren woont. In dit overzicht lopen we die stappen na, van de eerste geluidjes tot de basisschool.


Elk kind gaat in zijn eigen tempo, en dat tempo mag verschillen van dat van het buurmeisje of van zijn grote broer. De leeftijden hieronder zijn gemiddelden. Gebruik het overzicht als kaart om je een beeld te vormen, en niet als meetlat. Als je je ergens zorgen over maakt, praat dan met het consultatiebureau of je huisarts. Onderaan staat waar je op kunt letten.


0 tot 1 jaar: huilen, kraaien en de eerste brabbels

Je baby begint met huilen, en dat is meteen zijn eerste manier om met je te praten. Daarna komen de geluidjes. Hij kijkt steeds langer naar je gezicht, lacht terug en ontdekt zijn eigen stem. Die stem vindt hij fantastisch, dus verwacht veel gekraai en geproef.


Gemiddeld tussen 7 en 12 maanden begint het brabbelen: “ba-ba-ba”, “ma-ma-da”. Rond de eerste verjaardag reageren veel kinderen op hun eigen naam en begrijpen ze eenvoudige opdrachtjes, zoals “geef maar” of “kom maar”.


Zo help je: Vertel wat je ziet en doet, ook als je baby nog niets terugzegt. “Kijk, daar vliegt een vogel!” Bekijk samen plaatjes, foto's en prentenboekjes en reageer op wat zijn aandacht trekt. Een glimlach, oogcontact en een aanraking horen er helemaal bij, want taal begint met contact.


1 tot 2 jaar: de eerste woordjes

Tussen 1 en 1,5 jaar komen de eerste echte woordjes. Vaak zijn dat “mama”, “papa”, “bal” of “nee”. Rond 1,5 jaar zegt je kind al enkele tientallen woordjes. Gemiddeld zo'n 5 tot 50, dus dat is een flinke ruimte. Daarna begint het combineren. “Jas aan.” “Meer koek.” Zo ontstaan de eerste zinnetjes.


Rond de tweede verjaardag kijkt het consultatiebureau of je kind opdrachtjes van twee woorden begrijpt, bijvoorbeeld “pak de bal”.


Zo help je: Praat in hele zinnen, ook als je kind er nog maar één woord van terugzegt. Herhaal en vul aan: zegt je kind “bal”, dan zeg jij “ja, een grote bal!” Lees elke dag een kort verhaaltje voor. Dat hoeft geen groot ritueel te zijn, vijf minuten op de bank is genoeg.


2 tot 3 jaar: zinnetjes en eigen regels

Nu gaat het hard. Je kind praat in zinnetjes van twee tot vier woorden, en tegen de derde verjaardag worden het er drie tot vijf. Ook de verleden tijd duikt op, meestal met een eigen draai: “ik loopte”, “hij valde”. Zulke fouten laten zien dat je kind regels ontdekt en uitprobeert. Dat is goed nieuws!


Rond 3 jaar controleert de jeugdgezondheidszorg of je kind zinnetjes van drie of meer woorden maakt.


Zo help je: Voer echte gesprekjes, ook over dingen die je op dat moment niet ziet, zoals wat jullie gisteren deden of wat er straks gebeurt. Lees voor, en speel doen-alsof-spelletjes. De poppen die thee drinken en de bouwblokken die een brandweerauto zijn zorgen voor veel gesprek.


3 tot 4 jaar: waarom, waarom, waarom

De zinnen worden langer en de vragen komen met bakken tegelijk: wie, wat, waar en hoe. Je kind begrijpt meer over tijd, hoeveelheid, oorzaak en gevolg. Hij speelt rollenspellen en vertelt eenvoudige verhaaltjes. Soms loopt het nog niet helemaal soepel. De zinsbouw kan wiebelen en de r en de s zijn vaak nog lastig. Dat hoort bij deze leeftijd.


Zo help je: Geef antwoord op de vragen, ook de zesde keer dezelfde. Praat over de dag: wat was het leukste, wat was spannend? Geef je kind de ruimte om zelf het woord te nemen en wacht rustig tot de zin af is.


4 tot 6 jaar: verhalen vertellen

De meeste kinderen gaan in deze periode naar de basisschool. Hun taalontwikkeling gaat nog steeds razendsnel, en verhalen vertellen gaat steeds beter. De volgorde klopt nog niet altijd. Het einde komt dan eerst en het begin ergens in het midden. Vertellen over gedachten en gevoelens vinden veel kinderen nog lastig. Woordjes als “omdat” en “waarom” komen nu vaak voorbij.


Zo help je: Vraag door met “en toen?” en laat je kind een verhaal in zijn eigen woorden vertellen. Lees voor en bedenk samen verhalen. Eentje over een kikker die naar de maan wil is prima.


6 tot 12 jaar: een eigen verhaal en eigen woorden

De woordenschat groeit flink. Werkwoordsvormen gaan soms nog mis, maar kinderen vertellen steeds beter: tijdens het spelen, in de klas, en door verhalen te lezen of te horen. Ergens tussen 5 en 10 jaar leren kinderen zelfstandig lezen. Sommige kinderen stotteren even als ze iets heel graag willen vertellen. Hun gedachten gaan dan sneller dan hun woorden.


Zo help je: Vraag aan tafel naar het verhaal achter hun dag. Lees samen, ook als je kind zelf kan lezen. Stel vragen waar meer dan “ja” of “nee” uit komt, zoals “wat was het gekste dat vandaag gebeurde?”


Thuis stimuleren: kleine dingen met groot effect

Je hoeft geen grote programma's te volgen om de taalontwikkeling van je kindje te stimuleren. Dit helpt al veel:

  • Vertel wat je kind ziet, doet en voelt.

  • Lees voor en kijk samen plaatjes, foto's en prentenboeken.

  • Praat in volledige zinnen.

  • Laat je kind vertellen en luister tot het verhaal af is.

  • Stel open vragen om je kindje te laten zoeken naar een verdere uitbreiding van hun verhaal en daarmee hun woordenschat.


Wanneer bespreek je je zorgen?

Maak je je zorgen over de taalontwikkeling van je kind, bespreek het dan met het consultatiebureau, de jeugdgezondheidszorg of je huisarts. Je hoeft niet te wachten tot een volgend controlemoment.




 
 
 

Opmerkingen


bottom of page